Home Artikelen Fototechniek Wat is een stop

Fotoalbum foto

trap A de T

Eigenaar: Reijer Roelofsen

3mah-vogel5

Eigenaar: Marjolie Hetharia

Login Leden



Wat is een stop Print Email
dinsdag, 15 november 2005 15:57


 
    Vorig seizoen liet ik zwart/wit avondfoto's zien. Daarbij vertelde ik iets over de beperkingen van films en papier. Ik zei toen dat zwart/wit films en papier vijf stops gradatieverschil kunnen weergeven. Voor sommigen was dat gesneden koek, anderen hoorde je denken 'hoe zit dat ook weer', een enkeling ging gelijk in training voor het wereldkampioenschap glazig kijken en één iemand vroeg openlijk "wat is een stop precies?". Hierbij een poging tot verduidelijking..

      In de fotografie is het basisbegrip 'stop' het verschil tussen twee opeenvolgende sluitertijden, of tussen twee opeen volgende diafragmawaarden of tussen twee opeenvolgende ISO-waarden.

          Sluitertijdstops

      Zowel de sluitertijd als het diafragma regelen de hoeveelheid licht die op het filmvlak valt. Met de sluitertijd regel je het al dan niet bevriezen van een beweging. Soms wil je een stilstaande foto en soms wil je beweging op de foto, bijvoorbeeld bij snel water. In het ene geval wil je de afspattende druppels scherp weergeven en gebruik je daarvoor een korte sluitertijd en in een ander geval wil je de woestheid van de stroming weergeven en gebruik je een langere sluitertijd. De sluitertijden reeks wordt op de camera meestal weergegeven met:

B, 1,2, 4, 8, 15, 30, 60, 125, 250, 500, 1000 en eventueel 2000, 4000 en 8000.


De cijfers staan voor de tijd dat de 'sluiter' openstaat en dan gelezen in een breuk. Dus 1/1e of 1/8000e seconde. Duidelijk is dat de eerste veel licht binnen laat en de laatste weinig. Twee opeenvolgende getallen geven steeds een verdubbeling of halvering van de hoeveelheid licht dat op het filmvlak valt weer. 1/2e seconde is de helft van 1/1e seconde. Het verschil tussen de cijferaanduidingen n oemen we stops. Het verschil tussen 1 en 2 is dus 1 stop en tussen 1 en 4 is twee stops. Soms (bijvoorbeeld bij automatisch camera's) worden ook andere getallen weergegeven. Dat zijn tussenwaarden, die soms een halve, maar vaker een 1/3 stop weergeven.

          Diafragmastops

      Hetzelfde gebeurt met diafragma waarden. Daar zien we een reeks die meestal is opgebouwd als

2, 2.8, 4, 5.6, 8, 11, 16 en 22.

Ook hier geldt dat twee opeenvolgende getallen een verdubbeling of een halvering van het doorgelaten licht geeft. Diafragma 16 laat maar half zoveel licht door als diafragma 11. Het gaatje is letterlijk de helft kleiner in oppervlakte. Let op! Hoe hoger het getal hoe kleiner de opening en hoe minder licht wordt doorgelaten. Ook hier spreken we steeds van een stop verschil tussen twee opeenvolgende waarden. Ook hier kunnen tussenwaarden worden aangegeven. De meeste standaard objectieven beginnen hun reeks met 1.8 en een andere veel voorkomende waarde is voor zoomobjectieven 3,5.

          Scherpte en diepte

      Waarom zou je nu ineens de doorgelaten hoeveelheid licht gaan regelen met je diafragma als je dat ook kan met je sluitertijd? Wel, met het diafragma heb je een instrument in handen om de scherptediepte van de foto te beïnvloeden. Met een groot diafragma (een laag getal dus) kun je selectief de scherpte van je foto regelen. Je wilt in zo'n geval bijvoorbeeld alleen de voorgrond scherp in beeld krijgen en de achtergrond vaag laten. Wil je daarentegen je foto van voor tot achter scherp krijgen, draai dan het diafragma verder dicht, en kies bijvoorbeeld voor 11 of 16. Let wel dat dit verhaal het principe weergeeft. De scherptediepte is ook afhankelijk van de brandpuntafstand van het objectief. Stel je een 28mm (groothoek)objectief in op diafragma 4, dan krijg je een hele andere scherptediepte dan wanneer je een 200 mm (tele)objectief op 4 zet. Hoe meer tele de lens is hoe minder de scherptediepte wordt.

          Filmgevoeligheid

      Ook in de lichtgevoeligheid van de film zit steeds een stop verschil. Een film met 400/27 ISO waarde is 2x gevoeliger voor licht dan een 200/24 film enzovoort. Als je fotografeert is er voor een film met een bepaalde gevoeligheid maar één juiste belichting. Stel je camera is geladen met een 200/24 ISO film. Je lichtmeter vertelt je dat je kunt belichten met 1/125 en diafragma 8. Dat is aardig, maar je wilt je neefje op z'n eerste brommer voorbij zien scheuren op de foto. Is dit dan de juiste combinatie of wordt neefmans een onherkenbare vlek omdat zijn brommer net lekker is opgevoerd? Wel, als je de beweging wilt bevriezen, doe je dat met de sluitertijd. Kies bijvoorbeeld in plaats van 1/125 voor 1/500. Dat is voor een snelle brommer al heel wat zekerder. Maar al je het diafragma niet aanpast wordt de foto niets. Je laat met je sluitertijd 4 x minder licht door (2 stops) en dat moet je compenseren door met je diafragma 4x meer licht door te laten (2 stops). Er moet een grotere opening komen en dat doe je door het diafragma op een kleiner getal te zetten. Van diafragma 8 naar 4. Dan is het principe 1/125 bij 8 hetzelfde als 1/500 bij 4. En jij moet er achter komen wanneer je het ene gebruikt en wanneer het andere.

          Zelf

      Wat moet je met deze wetenschap als je camera toch een programma heeft voor de meest uiteenlopende situaties? Draai je wiel op sport en de camera zal automatisch kiezen voor een snelle sluitertijd en het diafragma dat er bij past. Ja, maar JIJ bent de fotograaf en niet het chipje dat door een of andere zakjapanner is geprogrammeerd. Die kon wel veel, maar hij wist niet dat JIJ voor deze speciale opname de hoogspringer juist in beweging wilde laten zien. Dat heb JIJ net besloten en daarom moet JIJ weten wat je nou moet doen om die chip op andere gedachten te brengen. Je komt er niet onder uit, maar de basistechniek zul je je eigen moeten maken. Kun je dat niet in je uppie, dan zou het nuttig kunnen zijn om de club voor te stellen een opfriscursus aan te bieden. Je kunt natuurlijk ook naar een gerenommeerd instituut, maar als er behoorlijk wat liefhebbers zijn, wie weet wat de club vermag.

          Frank Zwemmer