|
MACRO- EN DICHTBIJFOTOGRAFIE
door Jo Bosch, erkend macrospecialist
Bij het fotograferen op bijvoorbeeld een paar meter afstand, of bij het werken met de vergroter blijkt bij het scherpstellen op kortere afstanden dat de lens verder naar buiten moet worden gedraaid. Dit werkt volgens een onwrikbare natuurwet waarbij de afstand a tussen het negatief in het apparaat en de diafragmaopening van de lens gelijk is aan a = F + F / V.
De letters betekenen het volgende: F = focus, oftewel de brandpuntsafstand van de lens, bijvoorbeeld 50 mm, V = de vergrotingsmaatstaf of vergrotingsfactor. Dezelfde wet geldt ongeveer voor de afstand tussen diafragma en onderwerp, alleen geldt hier dat F / V, wordt: F x V. Aldus: a = F + F x V.
Neem bijvoorbeeld een foto waarbij het voorwerp drie keer zo groot is als de afbeelding ervan op het negatief (zie figuur 1.) Dit is dichtbijfotografie. De afstand a die hier bij hoort is 66,7 mm en A is dan 200 mm (reken maar na). Stel dat ons apparaat die mogelijkheid heeft, dan kan de lens zonder enig optisch bezwaar verder van het negatief verplaatst worden, bijvoorbeeld tot de lengte van de afstanden a en A "verwisseld" zijn, (zie figuur 2). Het onderwerp komt nu drie maal vergroot op het negatief. Dit is macrofotografie.
Lensinstelling
Voor al dit werk zijn spiegelreflexcamera’s, voor zover ik weet, het meest geschikt. Bij de meeste camera’s komt men met de lensinstelling echter niet dichterbij dan 40 cm van het onderwerp (dat is A in de figuren) en bij bepaalde typen tot een afbeeldingsmaatsaf van 1 : 2 of 1 : 1. Anders gezegd: het onderwerp wordt op het negatief niet groter dan de helft van de ware grootte (1 : 2) of niet groter dan de ware grote (1 : 1). Voor dichterbij - dus macrowerk moeten één of meer tussenringen of een balgapparaat tussen body en lens worden geplaatst, hetgeen dus een camera met een verwisselbare optiek vereist.In plaats van een andere lens komen dan eerst de genoemde tussenringen of de balg.
Zelf heb ik drie ringen (18, 271/2 en 36 mm lang) en een balg met een lengte tussen 45 en 133 mm. Samen met bevestiginsringen in a dan 237 mm + 55 (mijn F, zie verderop) = 292 mm. Hieruit volgt bij gebruik van de formule hierboven voor macro een vergroting ( V ) van 4,3 maal. Het voorwerp wordt ruim vier keer zo groot op het negatief afgebeeld. Ik heb als standaardlens de Micronikkor F55mm met diafragma’s van 2 t/m 32. De vergrotingsmaatstaf van 4,3 is met deze 55mm lens zo ongeveer de grens. De lens zit overigens achterstevoren op de balg. Dat geeft een scherper resultaat.
Balgapparaat
Een zeer grote afstand a (dus tussen negatief en diafragma) geeft een vergrote kans op enige trilling of instabiliteit, tenzij dit door een klem aan de onderkant van het balgapparaat wordt tegengegaan. Wil men nog sterker vergroten, dan is een speciale lens met een korte F, dus met een korte brandpuntsafstand noodzakelijk. Aangeraden wordt de scherpstelling te doen met ingesteld diafragma, omdat de diafragma-opening zich tijdens het dichtdraaien mogelijk iets zou kunnen verplaatsen en daarmee de gedane scherpstelling zou aantasten. Veel licht is nodig op het voorwerp om bij zo’n bijna gesloten lens nog goed te kunnen zien.
Electronenflitser
De belichting van het onderwerp gebeurt met een electronenflitser met TTL-lichtmeting. Bij fotografie waarbij a weinig groter is dan de brandpuntsafstand van de lens geldt dat het diafragma gelijk is aan het richtgetal van de flitser gedeeld door de afstand in meters van de flitser tot het object. Het diafragma wordt dan bijvoorbeeld 30 / 3 = 10. Bij macrowerk echter moet rekening worden gehouden met het grote lichtverlies dat door de lange afstand van lens tot film ontstaat. Bij 1 : 1 scheelt dat twee diafragma’s aan licht. Dit betekent dat de belichtingstijd al 4 x zo lang moet zijn. Dus het kwadraat van de afstand tot het onderwerp.
Omdat we de kleine lensopening niet willen vergroten - om zo de scherptediepte maximaal te laten zijn - moet de flitser dichterbij het object staan. Maar hoeveel dichterbij? Ook dit werkt evenredig met het kwadraat van de afstand. Dus op de helft van de bovenberekende afstand hebben we 4x zoveel licht. We berekenen de afstand van de flitser flitsafstand = Richtgetal van de flitser R gedeeld door het diafragma. R / f = 30 / 32 = 1 m. Dit x 1/2 geeft 50 cm. Een formule hiervoor is R / f x F / a , oftwel: de afstand van de flitser = 30 / 32 x 55 / 110 = 0,5 meter.
Liniaaltje
De afstand a kan met een liniaaltje gemeten worden van film tot diafragmaring. Hier is uitgegaan van 110 mm. Niet zo precies dus. Dit is een maximale afstand. Voor een goede belichting met TTL-meting moet de afstand wat kleiner genomen worden. Een goede en mooi, functionele verlichting van het object kan tegelijk met een stukje reflecterend materiaal. Bij flitsen is een zeer sterke reflex nodig! Maar een stukje aluminiumfolie kan dat uitstekend.
Om te zien wat het effect is, kun je er eerst een gewone lamp opzetten en het effect bekijken. De flitser kan tijdens het flitsen met de hand in dezelfde richting en op de juiste afstand vastgehouden worden. De dekking van het negatief is natuurlijk ook afhankelijk van het reflecterend vermogen van de achtergrond en van het object. Uiteindelijk is het daarom wenselijk om enkel opnamen te maken met gewijzigde flitsafstanden. Dus met wat meer, of wat minder licht op het onderwerp. Dat spaart veel tijd vergeleken met het overdoen van de hele opstelling.
Schaduwloos
Voor het verkrijgen van een schaduwloze achtergrond heb ik enkele kartonnen piramides gemaakt, inwendig zwart. Het voorwerp wordt op een pennetje gekit of gelijmd en steekt iets boven de rand van dat piramidetje uit. Bij het macrowerk moet de foto-apparatuur een vaste, zoveel mogelijk trillingsvrije standaard hebben. Zelf heb ik een verticale kolom op een zware voet, maar ook de kolom van een vergroter is geschikt. Bijvoorbeeld van de Axomat waar de camera moet worden bevestigd op de loper of slede voor de eigenlijke vergroter. Mogelijk kan dat zonder meer, maar anders moet tussen camera en kolomslede een zogeheten instelslede gebruikt worden. (Novoflex, ook mijn balg is een Novoflex).
Vluchtafstand
Voor het dichtbij kieken van vlinders e.d. zitten we met de vluchtafstand van de beestjes. Ze zijn daardoor meestal niet dichtbij genoeg te benaderen met een standaardlens. Bij nat of koud weer lukt het nog wel eens. Zonder flitser is het licht vaak mooier, maar het diafragma moet dan vrij ver open staan en heeft weer weinig scherptediepte tot gevolg. Met een telelens (bijvoorbeeld met een F van 200 mm), ongeveer 50 tot 80 mm aan tussenringen en de flitser zo ver mogelijk naar voren geplaatst op een zelfgemaakte klem met handvat zijn alle moeilijkheden opgelost. We hebben een veldbreedte van 8 a 10 cm, voldoende licht voor een kleine lensopening en voldoende scherptediepte. De afstand tot het dier ligt ergens tussen 70 en 100 cm.
Draagpunt
Fotograferen met de telelens tot ongeveer 2 m van levende beesten of bewegende voorwerpen doe ik uit de hand. Met de linkerhand houd ik het eerder genoemde handvat vast dat aan de klem met de flitser zit, zo ver mogelijk weg. Dat verre draagpunt is een geweldige steun tegen trillingen. Bij dit verhaal ben ik uitgegaan van de spullen die ik zelf heb en van de instelmethoden die ik zelf gebruik. Ik denk, dat hieromheen nog voldoende ruimte is om het anders en/of beter te doen. Jo Bosch
|