|
Flitslicht is hard en dus doorgaans weinig vleiend voor je onderwerp. Bovendien verliest flitslicht snel aan sterkte: een verdubbeling van de afstand leidt tot 75% lichtverlies. Een overbelicht onderwerp tegen een gitzwarte achtergrond is dan het teleurstellende resultaat. Flitsen doe je daarom het beste indirect, bijvoorbeeld via een wit plafond. Je kunt ook een iets snellere film gebruiken. Kies in dat geval voor een diafragma (= lensopening) die zonder flits zou leiden tot een foto die één of twee stops is onderbelicht. Het licht van de flitser gebruik je dan om je foto alsnog correct te belichten Invulflits: Bij tegenlicht of wanneer de achtergrond uitzonderlijk helder is, kan het gelaat van uw onderwerpen te donker worden afgebeeld zodat het niet meer te onderscheiden is. Een voorbeeld daarvan is een onderwerp op een zonnige dag in de schaduw van een boom of dakterras. Gebruik de flitser om schaduwen op te vullen en de belichting in evenwicht te brengen. Automatische flits In deze modus bepaalt de camera zelf of het beschikbare licht voldoende is en schakelt wanneer nodig de flitser in. Rode-ogen-reductie Bij deze stand worden eerst een aantal vóórflitsen afgegeven met een lagere intensiteit om de pupillen te vernauwen, zodat er minder kans op het rode-ogen-effect ontstaat wanneer de hoofdflits wordt afgevuurd. Slow-syncflits De wat betere digitale camera’s hebben ook een slowsyncstand voor de flitser. Bij deze stand wordt de automatische flits gecombineerd met een langere sluitertijd. Hierdoor wordt zowel het onderwerp als de achtergrond bij weinig licht goed belicht. Externe flitser Sommige camera’s hebben ook een mogelijkheid om externe systeemflitsers aan te sluiten. Wanneer je deze mogelijkheid wilt gebruiken kun je de ingebouwde flitser uitschakelen. Het gebruik van een externe, los van de camera te plaatsen, flitser geeft je een groot aantal creatieve mogelijkheden, die echter buiten het kader van deze pagina vallen.
|